De speler mag zijn bal overal op de baan als onbespeelbaar beschouwen, tenzij de bal in een waterhindernis ligt. Of zijn bal onspeelbaar is, is uitsluitend de beslissing van de speler.
Als de speler van mening is dat zijn bal onbespeelbaar is, moet hij, met een strafslag
a) een bal spelen zo dicht mogelijk bij de plek vanwaar de oorspronkelijke bal het laatst werd gespeeld (zie Regel 20-5); of
b) een bal droppen op enige afstand voorbij het punt waar de bal zich bevond, welk punt in een rechte lijn moet liggen tussen de hole en het punt waar de bal wordt gedropt; of
c) een bal niet dichter bij de hole droppen dan twee clublengtes van de plek waar de bal lag.
Als de onspeelbare bal in een bunker ligt, mag de speler a, b of c van deze regel volgen. Als hij volgens b of c te werk gaat, moet er een bal in de bunker gedropt worden.
Als de speler deze regel volgt, mag hij zijn bal oprapen en schoonmaken of een andere bal gebruiken.
STRAF VOOR OVERTREDING VAN DE REGELS:
Hole play - Hole loss; Counting play - Twee slagen.
Status: 2018